Uitspraak ingezonden door Lotte van Schuylenburch en Matthijs Kaaks, Boekx.
Rb. Midden-Nederland wijst gevorderd publicatieverbod af: veiligheidsrisico onvoldoende concreet onderbouwd en geen noodzaak tot voorafgaande beperking van publicatie
Rb. Midden-Nederland 13 maart 2026, IEF 23419; ECLI:NL:RBMNE:2026:1173 ([eisers c.s] tegen [gedaagde]). In dit kort geding willen eisers voorkomen dat [gedaagde] een voorgenomen artikel publiceert waarin de naam van [eiser sub 2] of andere tot hem herleidbare gegevens worden genoemd. Daarnaast vorderen zij dat het conceptartikel vóór publicatie aan hen wordt voorgelegd, zodat zij zich daartegen zo nodig opnieuw tot de rechter kunnen wenden. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, omdat eisers stellen dat publicatie voor [eiser sub 2] ernstige en onherstelbare schade zal veroorzaken. Vervolgens stelt de rechter voorop dat deze vorderingen neerkomen op voorafgaand toezicht op een publicatie. Dat botst volgens de rechter met art. 10 EVRM en art. 7 Grondwet. Een verbod vooraf is daarom alleen mogelijk als de onrechtmatigheid van de publicatie voldoende is gebleken en dat verbod nodig is ter voorkoming van onherstelbare schade. Omdat voorafgaande beperkingen grote risico’s meebrengen voor de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid, moet de noodzaak daarvan zorgvuldig en kritisch worden onderzocht en door uitzonderlijke omstandigheden worden gerechtvaardigd. De rechter maakt daarom een belangenafweging tussen enerzijds het belang van eisers bij bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de eer en goede naam van [eiser sub 2], en anderzijds het belang van [gedaagde] bij vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder persvrijheid. Daarbij noemt de rechter als relevante factoren onder meer de ernst van de misstand vanuit het algemeen belang, de mate waarin de verdenkingen ten tijde van publicatie steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen. Daarbij merkt de rechter ook op dat [eiser sub 2] indirect bestuurder is van [eiser sub 1] en dat [gedaagde] van plan is hem in het artikel aan te duiden als [naam].