DOSSIERS
Alle dossiers

Woord- en of beeldmerk  

IEF 23284

Geen merkinbreuk of handelsnaaminbreuk door “Partij met Lef!

Rechtbank Rotterdam 30 jan 2026, IEF 23284; ECLI:NL:RBROT:2026:857 (LEF tegen Groep de Rijke), https://delex.minab.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-of-handelsnaaminbreuk-door-partij-met-lef

Rb. Rotterdam 30 januari 2026, IEF 23284; ECLI:NL:RBROT:2026:857 (LEF tegen Groep de Rijke). In dit kort geding vordert politieke partij LEF dat Groep de Rijke het gebruik van de naam “Partij met Lef!” staakt wegens inbreuk op haar Benelux-beeldmerk, (spoedgeregistreerde) woordmerk “LEF” en handelsnaam, dan wel wegens onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Bij vergelijking van het volledige geregistreerde beeldmerk van LEF met de door Groep de Rijke gebruikte logo’s ontbreekt voldoende visuele, auditieve en begripsmatige overeenstemming; de verschillen in kleur, typografie, aanvullende woorden (“Partij met”) en grafische elementen maken dat geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van art. 2.20 lid 2 sub b BVIE. Aan het subsidiaire beroep wordt niet toegekomen. Ten aanzien van het woordmerk “LEF” kan in kort geding niet worden vooruitgelopen op de definitieve registratie. Ook van handelsnaaminbreuk (art. 5 en 5a Hnw) is voorshands geen sprake: het enkele gedeelde gebruik van het woord “lef” is, gelet op de totaalindruk en de context, onvoldoende voor verwarringsgevaar. Daarmee is ook onrechtmatig handelen niet aannemelijk.

IEF 23276

Normaal gebruik van het merk ZOOM in de Benelux

BenGH 7 mei 2025, IEF 23276; C 2024/10 (Zoom Video Communications, Inc tegen Kabushiki Kaisha Zoom), https://delex.minab.nl/artikelen/normaal-gebruik-van-het-merk-zoom-in-de-benelux

BenGH 7 mei 2025, IEF 23276; IEFbe 4105; C 2024/10 (Zoom Video Communications, Inc. tegen Kabushiki Kaisha Zoom). In deze zaak oordeelt het Benelux-Gerechtshof over een verzoek van Zoom Video Communications, Inc. tot vervallenverklaring wegens niet-gebruik van het oudere Benelux-woordmerk ZOOM, dat toebehoort aan Kabushiki Kaisha Zoom. Het geschil draait om de vraag of het merk in de periode 2016–2021 normaal is gebruikt voor de waren waarvoor het is ingeschreven in de klassen 9 en 15. Het Hof bevestigt het uitgangspunt dat van normaal gebruik sprake is wanneer het merk reëel commercieel wordt gebruikt om afzet te vinden of te behouden, waarbij een globale beoordeling plaatsvindt aan de hand van onder meer aard van de waren, marktkenmerken en omvang en frequentie van het gebruik. Bij ruime warenomschrijvingen moet worden onderzocht of zelfstandige subcategorieën kunnen worden onderscheiden op basis van doel en bestemming; alleen dan kan verval gedeeltelijk worden uitgesproken.

IEF 23241

Kort geding: nakoming aandelenoverdracht en teruglevering woordmerk afgedwongen

Rechtbank Amsterdam 25 nov 2025, IEF 23241; ECLI:NL:RBAMS:2025:10092 ([eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] tegen OKA en [gedaagde 2]), https://delex.minab.nl/artikelen/kort-geding-nakoming-aandelenoverdracht-en-teruglevering-woordmerk-afgedwongen

Rb. Amsterdam 25 november 2025, IEF 23241; ECLI:NL:RBAMS:2025:10092 ([eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] tegen OKA en [gedaagde 2]). In dit kort geding bij de rechtbank Amsterdam stond een geschil centraal tussen aandeelhouders/bestuurders van een vennootschap die een cafetaria en broodjeszaak exploiteert. Partijen hadden in een tussenovereenkomst afgesproken dat een derde partij voor 1/3 aandeelhouder zou worden, tegen betaling van € 25.000, met levering via de notaris. Hoewel de oorspronkelijk beoogde leveringsdatum werd overschreden, bleek uit latere correspondentie dat partijen de overeenkomst feitelijk bleven uitvoeren en de termijn stilzwijgend verlengden. Het verweer van gedaagden dat de overeenkomst was beëindigd wegens het verstrijken van de datum werd daarom verworpen. De voorzieningenrechter achtte voldoende aannemelijk dat de bodemrechter nakoming zou toewijzen en gelastte levering van 20 aandelen aan eiser, onder oplegging van een dwangsom.

IEF 23204

Benelux-merk EIFFEL ten onrechte doorgehaald: geen kwade trouw en geen misleiding

BenGH 30 sep 2025, IEF 23204; C 2024/03 (Eiffel World tegen verweerster), https://delex.minab.nl/artikelen/benelux-merk-eiffel-ten-onrechte-doorgehaald-geen-kwade-trouw-en-geen-misleiding

BenGH 26 november, IEF 23204; IEFbe 4081; C 2024/03 (Eiffel World tegen verweerster). Het Benelux-Gerechtshof vernietigt het besluit van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) waarbij het Benelux-woordmerk EIFFEL van Eiffel World was doorgehaald wegens vermeende kwade trouw en misleiding. Het Hof stelt voorop dat kwade trouw bij merkaanvraag slechts kan worden aangenomen wanneer uit objectieve en samenhangende omstandigheden blijkt dat het merk is aangevraagd met een oneerlijk oogmerk, zoals het schaden van derden of het verkrijgen van een exclusief recht buiten de normale merkrechtelijke functies. Dat Eiffel World en haar bestuurder Philippe Coupérie-Eiffel bekend waren met de Association des descendants de Gustave Eiffel (ADGE) en eerdere geschillen over de naam Eiffel, is daarvoor onvoldoende. Naar Benelux-recht bestaat geen vereiste van voorafgaande toestemming van een familievereniging voor het deponeren van een achternaam als merk, en verplichtingen die Philippe Coupérie-Eiffel in het verleden jegens ADGE is aangegaan binden Eiffel World niet. Ook het gestelde niet-gebruik van het merk vormt op zichzelf geen bewijs van kwade trouw.

IEF 22958

Geen verwarringsgevaar of reputatieschade: Gerecht EU wijst oppositie Tamasu Butterfly af

Gerecht EU (voorheen GvEA) 24 sep 2025, IEF 22958; ECLI:EU:T:2025:892 (Tamasu Butterfly Europa GmbH tegen EUIPO), https://delex.minab.nl/artikelen/geen-verwarringsgevaar-of-reputatieschade-gerecht-eu-wijst-oppositie-tamasu-butterfly-af

Gerecht EU 24 september 2025, IEF 22958; IEFbe 3995, ECLI:EU:T:2025:892 (Tamasu Butterfly Europa GmbH tegen EUIPO). Tamasu Butterfly Europa GmbH, een Duitse onderneming actief in onder meer sportartikelen en -kleding, stelt beroep in bij het Gerecht tegen een beslissing van de Kamer van Beroep. Aanleiding is de internationale inschrijving van het woordmerk BTFY door het Britse bedrijf Domu Brands Ltd, waarbij bescherming in de Europese Unie is gevraagd. Tamasu verzet zich tegen deze inschrijving op basis van haar oudere rechten, waaronder het Uniewoordmerk Butterfly, alsook handelsnamen zoals Butterfly en BTY die in Duitsland zouden worden gebruikt. Het EUIPO heeft de oppositie afgewezen, omdat het de tekens onvoldoende gelijkend acht en ook geen sprake ziet van reputatieschade of verwarringsgevaar. De Kamer bevestigt deze beslissing, waarna Tamasu zich tot het Gerecht wendt. Tamasu voert drie middelen aan.Ten eerste zou het EUIPO artikel 8, lid 1, onder b, van de Uniemerkenverordening hebben geschonden door te concluderen dat er geen verwarringsgevaar bestaat tussen Butterfly en BTFY. Het Gerecht bevestigt dit oordeel en stelt vast dat de tekens visueel, fonetisch en conceptueel duidelijk van elkaar verschillen. Zo is Butterfly een betekenisvol Engels woord, terwijl BTFY geen duidelijke betekenis heeft en onvoldoende is aangetoond dat het publiek dit als afkorting van Butterfly zou herkennen. Daarmee kan verwarringsgevaar worden uitgesloten. 

IEF 22956

Gebruik als variëteitsnaam is geen merkgebruik: SEQUOÏA vervallen verklaard

Gerecht EU (voorheen GvEA) 24 sep 2025, IEF 22956; ECLI:EU:T:2025:915 (Rústicas del Guadalquivir SL tegen EUIPO), https://delex.minab.nl/artikelen/gebruik-als-varieteitsnaam-is-geen-merkgebruik-sequoia-vervallen-verklaard

Gerecht EU 24 september 2025, IEF 22956; IEFbe 3994; ECLI:EU:T:2025:915 (Rústicas del Guadalquivir SL tegen EUIPO). Deze zaak gaat over het EU-woordmerk SEQUOÏA, dat is ingeschreven voor verse groenten en fruit (klasse 31). De centrale vraag is of het merk gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar daadwerkelijk op normale wijze in de Unie is gebruikt, zoals bedoeld in artikel 58, lid 1, onder a), van de Uniemerkenverordening . In 2022 dienen Fall Creek Farm and Nursery, Inc. en Fall Creek Farm & Nursery Europe SRL een verzoek tot vervallenverklaring in, met het argument dat het merk in de relevante periode niet daadwerkelijk in het economisch verkeer wordt gebruikt. Het EUIPO wijst dit verzoek volledig toe en verklaart het merk vervallen. Op 30 april 2024 bevestigt de Kamer van Beroep dit besluit. De merkhouder, Rústicas del Guadalquivir SL, stelt vervolgens beroep in bij het Gerecht. In die procedure staat uitsluitend de aard van het gebruik ter discussie; plaats, tijd en omvang van het gebruik zijn niet betwist. De merkhouder legt licentieovereenkomsten, facturen, transportdocumenten, advertenties en verklaringen over, waarin Sequoia vaak als fruitvariëteit wordt aangeduid. In enkele stukken verschijnt de aanduiding als merk of met het ®-symbool. Volgens de merkhouder is Sequoia geen plantenras, maar een merk of identificatieteken voor specifieke fruitproducten, dat bovendien aansluit bij de gebruikelijke praktijk in de fruitsector.

 

IEF 22828

Voorzieningenrechter wijst IE- en domeinnaamvorderingen toe aan medeoprichter adviesbureau

Rechtbank Midden-Nederland 18 jul 2025, IEF 22828; ECLI:NL:RBMNE:2025:3542 (Eiser tegen gedaagde c.s.), https://delex.minab.nl/artikelen/voorzieningenrechter-wijst-ie-en-domeinnaamvorderingen-toe-aan-medeoprichter-adviesbureau

Rb. Midden-Nederland 18 juli 2025, IEF 22828; ECLI:NL:RBMNE:2025:3542 (Eiser tegen gedaagde). Eiser is een advies- en onderzoeksbureau dat zich bezighoudt met het versterken van compliance-, risico en integriteitsmanagement binnen organisaties. De onderneming is opgericht door [A] en [gedaagde sub 1] en werd bestuurd door hun vennootschappen [bedrijf] BV en [gedaagde sub 2] (hierna, samen met [gedaagde sub 1: gedaagde c.s.]). [gedaagde c.s.] heeft in juni 2025 de samenwerking opgezegd. Hierbij heeft hij meegedeeld dat het merk, de domeinnamen, content en auteursrechten zijn eigendom blijven en dat [eiser] haar naam moet wijzigen en het merk [eiser] niet meer mag gebruiken. [Gedaagden c.s.] heeft in dit kader de wachtwoorden die nodig zijn voor het beheer van de website overgedragen en gewijzigd zodat [eiser] geen toegang meer heeft. [eiser] is van mening dat [gedaagde c.s] geen recht heeft op de handelsnamen en domeinnamen en dat hij het beheer over de websites van de onderneming en de toegang daartoe aan haar moet overdragen. Hij doet daarbij beroep op het handelsnaamrecht, het domeinnaamrecht en het merkenrecht. [gedaagde c.s.] verweert en stelt dat er auteursrecht rust op de handelsnamen. Dit wordt door [eiser] betwist. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] grotendeels toe.

IEF 22823

Ongeoorloofde vergelijkende reclame en merkinbreuk in social media-campagne autoparfum

Rechtbank Den Haag 9 jul 2025, IEF 22823; ECLI:NL:RBDHA:2025:12887 (Bedrijf 1 tegen bedrijf 2), https://delex.minab.nl/artikelen/ongeoorloofde-vergelijkende-reclame-en-merkinbreuk-in-social-media-campagne-autoparfum

Rb. Den Haag 9 juli 2025, IEF 22823, RB 3920; ECLI:NL:RBDHA:2025:12887 (Bedrijf 1 tegen Bedrijf 2). [Bedrijf 2] verkoopt autoparfum en heeft met behulp van een influencer een reclamevideo laten maken ter promotie van dit parfum. In hetzelfde filmpje wordt ook een ander autoparfum getoond. De influencer haalt dat autoparfum van de binnenspiegel van haar auto en laat het in haar schoot vallen, voordat zij het autoparfum van [bedrijf 2] erbij pakt. Hierbij vergelijkt de influencer de parfum van [bedrijf 2] met ouderwetse geurhangers en namaakgeurtjes, waarbij de autoparfum van [bedrijf 1] in beeld komt. [Bedrijf 1] stelt dat haar autoparfum hiermee onnodig negatief in beeld wordt gebracht. Zo wordt onder meer gesuggereerd dat het product van [bedrijf 1] ouderwets is en een namaakgeurtje betreft. Ook is in de reclamevideo geen sprake van een objectieve vergelijking. Bij de rechter vordert zij gedaagde te gebieden om in de toekomst op een dergelijke manier reclame te maken en te gebieden een rectificatie te plaatsen en een schadevergoeding te betalen. Ze baseert haar vorderingen op art. 6:162 BW en artikel 6:194a lid 2 BW, of op inbreuk haar intellectuele eigendomsrechten. [Bedrijf 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel afwijzing van de vordering. Zij stelt dat er sprake is van een geoorloofde manier van reclame. In de reclamevideo heeft de ingehuurde influencer een merkloze autoparfumhanger van haar binnenspiegel gehaald, om vervolgens het product van [bedrijf 2] erbij te pakken en dat te promoten. Van vergelijkende reclame is geen sprake, noch van enige vorm van onrechtmatig handelen, aldus [bedrijf 2]. De rechter oordeelt als volgt. 

IEF 22815

Gerecht EU bevestigt nietigverklaring merk ICELAND wegens beschrijvend karakter

Gerecht EU (voorheen GvEA) 10 jul 2025, IEF 22815; ECLI:EU:T:2025:729 (Iceland Foods en INTA tegen EUIPO en Íslandsstofa (Promote Iceland), de staat IJsland en SA – Business Iceland), https://delex.minab.nl/artikelen/gerecht-eu-bevestigt-nietigverklaring-merk-iceland-wegens-beschrijvend-karakter

Gerecht EU 16 juli 2025, IEF 22815, IEFbe 3944; ECLI:EU:T:2025:729 (Iceland Foods en INTA tegen EUIPO en Íslandsstofa (Promote Iceland), de staat IJsland en SA – Business Iceland). Iceland Foods Ltd (Hierna: Iceland Foods) vordert bij het Gerecht van de EU de nietigverklaring van de beslissing van de Grote Kamer van Beroep van het EUIPO. Deze beslissing bevestigde de eerdere nietigverklaring van het Uniemerk ICELAND, dat geregistreerd was voor een breed scala aan waren en diensten in de klassen 7, 11, 16, 29–32 en 35 van de Nice-classificatie. In 2002 heeft zij het woordmerk ICELAND laten registreren. In 2016 dienden Íslandsstofa (Promote Iceland), de staat IJsland en SA – Business Iceland een verzoek tot nietigverklaring in bij het EUIPO. Het merk werd hierop nietig verklaard. Iceland Foods ging hiertegen in beroep. De Grote Kamer van Beroep bevestigt dat het merk ICELAND niet in aanmerking kwam voor registratie als Uniemerk vanwege zijn beschrijvende karakter en gebrek aan onderscheidend vermogen. Het beroep van Iceland Foods tegen de nietigverklaring wordt verworpen. Bij het Gerecht verzoekt Iceland Foods dat deze beslissing van de Grote Kamer van Beroep wordt vernietigd. Het EUIPO verzoekt de vordering af te wijzen, net als Íslandsstofa (Promote Iceland), de staat IJsland en SA – Business Iceland. De INTA, als interveniënt, verzoekt vernietiging van de bestreden beslissing. Iceland Foods baseert haar vorderingen op artikel 7 lid 1 onder c, en onder b, van de Verordening inzake het Gemeenschapsmerk.

IEF 22811

Verzet Athom Tech tegen verstekvonnis strandt wegens ontbreken advocaat

Rechtbank Den Haag 8 jul 2025, IEF 22811; ECLI:NL:RBDHA:2025:12293 (Athom Tech tegen Athom NL), https://delex.minab.nl/artikelen/verzet-athom-tech-tegen-verstekvonnis-strandt-wegens-ontbreken-advocaat

Vzr. Rb. Den Haag 8 juli 2025, IEF 22811; ECLI:NL:RBDHA:2025:12293 (Athom Tech tegen Athom NL). Athom NL is een Nederlandse onderneming die smart home-producten ontwikkelt en beschikt over het Benelux-merk ‘ATHOM’ en een Uniemerk met dezelfde naam. Athom Tech is een Chinese onderneming die sinds 2020 vergelijkbare producten verkoopt onder de tekens ‘Athom’ en ‘Athom smart home’ via onder andere AliExpress. Athom NL stelt dat Athom Tech daarmee inbreuk maakt op haar merkenrechten. In een eerdere verstekprocedure vorderde Athom NL onder meer een inbreukverbod, opgave, recallmaatregelen en dwangsommen, primair voor de hele EU. Bij verstekvonnis van 12 november 2024 zijn de vorderingen grotendeels toegewezen [zie IEF 22380]. Athom Tech heeft vervolgens verzet ingesteld tegen het verstekvonnis en vraagt vernietiging van dat vonnis en afwijzing van de vorderingen. Na de onttrekking van haar advocaat op 10 juni 2025 stelde Athom Tech geen nieuwe advocaat aan. De rechtbank heeft Athom Tech verzocht dit te doen of de zaak in te trekken, maar hier kwam geen reactie op. Tijdens de mondelinge behandeling van 24 juni 2025 verscheen niemand namens Athom Tech. Hiermee is niet voldaan aan de formele procesvereisten. De rechter ziet geen aanleiding om Athom Tech alsnog een hersteltermijn te bieden, gezien de spoedeisendheid van kort gedingen en eerdere waarschuwingen. De voorzieningenrechter ontslaat daarom Athom NL van de instantie, zonder inhoudelijke beoordeling van het geschil. De gevorderde proceskosten worden met een korting van 50% toegewezen, rekening houdend met het indicatietarief IE-zaken en het beperkte verloop van de procedure.