Gepubliceerd op donderdag 2 april 2026
IEF 23442
Rechtbank Gelderland ||
18 feb 2026
Rechtbank Gelderland 18 feb 2026, IEF 23442; ECLI:NL:RBGEL:2026:1252 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://delex.minab.nl/artikelen/afwijzing-avg-schadevordering-en-verklaring-voor-recht-wegens-bindende-kracht-van-eerdere-beschikking-over-dezelfde-correspondentie

Afwijzing AVG-schadevordering en verklaring voor recht wegens bindende kracht van eerdere beschikking over dezelfde correspondentie

Rb. Gelderland 18 februari 2026, IEF 23442; IT 5180; ECLI:NL:RBGEL:2026:1252 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze bodemzaak tussen een voormalig onderbewindgestelde en zijn voormalige bewindvoerder vorderde eiser een verklaring voor recht dat de bewindvoerder in verzuim was wegens schending van de artikelen 12, 15 en 5 lid 1 AVG, artikel 843a Rv en artikel 6:82 BW, alsmede betaling van € 1.325 schadevergoeding en € 198,75 aan buitengerechtelijke incassokosten. Aan die vorderingen legde hij ten grondslag dat de bewindvoerder niet had gereageerd op zijn e-mail van 1 oktober 2024, waarin hij vroeg om alle correspondentie waarbij zijn oude e-mailadres was gebruikt en om correspondentie uit 2014 en 2015 over het CBR, het alcoholslotprogramma en termijnbetalingen. De bewindvoerder voerde daartegen aan dat over diezelfde correspondentie en over de daaraan gekoppelde schade al eerder tussen partijen was beslist in een eerdere procedure, die had geleid tot een beschikking van 31 januari 2025, welke inmiddels kracht van gewijsde had gekregen. De kantonrechter stelt voorop dat artikel 236 Rv ook ten aanzien van beschikkingen beslissende betekenis kan hebben en dat moet worden beoordeeld of een nieuw oordeel zich zou verdragen met de eerdere uitspraak. Daarbij komt het aan op de grondslag van de eerdere vordering, het processuele debat en de eerdere beslissing.

De kantonrechter oordeelt vervolgens dat eiser in deze procedure in wezen opnieuw dezelfde kwestie aan de orde stelt, namelijk het niet verstrekken van dezelfde correspondentie. In de eerdere schadebeschikking was daarover al geoordeeld dat de bewindvoerder niet gehouden was die correspondentie alsnog te verstrekken, terwijl bovendien was overwogen dat zij eiser toegang had gegeven tot vrijwel de gehele administratie. Dat eiser zijn nieuwe vorderingen nu juridisch inkleedt als een AVG-verzoek en mede baseert op artikel 843a Rv, maakt dat niet anders, omdat de feitelijke grondslag dezelfde is gebleven. Ook de door eiser aangevoerde nieuwe omstandigheden, te weten dat hij een AVG-verzoek had gedaan en een klacht had ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens, kunnen daaraan niet afdoen, omdat die omstandigheden slechts zien op de wijze waarop hij heeft geprobeerd de informatie te verkrijgen en niet tot een ander oordeel leiden over de gestelde verplichting tot verstrekking van die correspondentie. Daarom wijst de kantonrechter de verklaring voor recht, de schadevordering en de daarmee samenhangende nevenvorderingen af. Eiser wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van € 542,50, te vermeerderen met betekeningkosten indien niet tijdig wordt betaald en met wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na aanschrijving. Het juridisch juiste kernpunt is dus niet een niet-ontvankelijkverklaring, maar een afwijzing van de vorderingen omdat de eerdere beschikking tussen dezelfde partijen bindende kracht heeft ten aanzien van hetzelfde geschilpunt.

4.6.

[eiser] heeft in de onderhavige procedure niet verzocht [gedaagde] te veroordelen om correspondentie te overleggen waarbij zijn oude e-mailadres is gebruikt en alle correspondentie uit de periode 2014-2015 over het CBR, het alcoholslotprogramma of termijnbetalingen, maar zijn schadevordering is daar wel op gebaseerd. [eiser] vordert immers vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden doordat [gedaagde] weigert de genoemde stukken aan [eiser] te verstrekken. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] daarmee de feitelijke grondslag herhaalt waarover in de schadebeschikking al afwijzend is geoordeeld. Dat betekent dat onderhavige procedure (grotendeels) over dezelfde feiten en verwijten gaat als de procedure die heeft geleid tot de schadebeschikking en dat daarover in de schadebeschikking al is beslist. Die beslissing heeft tussen partijen gezag van gewijsde en kan dus, ter voorkoming van tegenstrijdige rechterlijke beslissingen, niet worden aangetast. De omstandigheid dat [eiser] in deze procedure een andere grondslag aanvoert, namelijk de bepalingen van het AVG en artikel 843a Rv in plaats van de bepalingen omtrent de rekening en verantwoording en aansprakelijkheid van een bewindvoerder op grond van het Burgerlijk Wetboek, maakt het oordeel niet anders. Hetzelfde geschilpunt kan niet op een andere juridische grondslag opnieuw aan de rechter worden voorgelegd.

4.6.

Onder omstandigheden kan eenzelfde of deels zelfde vordering wel worden ingesteld op basis van een andere feitelijke grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. In dit verband voert [eiser] aan dat in de schadebeschikking de feiten dat hij bij [gedaagde] een AVG-verzoek heeft ingediend en dat hij over [gedaagde] een klacht heeft ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens, niet zijn meegenomen. Deze feiten zijn weliswaar niet meegenomen en moeten daardoor als nieuwe feiten worden aangemerkt, maar dit kan [eiser] in dit verband ook niet baten. Deze feiten zien slechts op de wijze waarop [eiser] heeft getracht de door hem gewenste informatie te verkrijgen, hetgeen van ondergeschikt belang is voor het uiteindelijke oordeel. De door [eiser] in onderhavige procedure genoemde feiten zouden niet tot een ander oordeel leiden over de vraag of [gedaagde] de door [eiser] gevraagde correspondentie dient te verstrekken.

4.7.

De gehele vordering ziet op het niet verstrekken van correspondentie. Daarover is in de schadebeschikking – samengevat – geoordeeld dat [gedaagde] daartoe niet gehouden is en is overwogen dat zij desondanks toch toegang heeft verstrekt tot vrijwel de gehele administratie. Aangezien de beschikking kracht van gewijsde heeft, is de kantonrechter van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot schadevordering moeten worden afgewezen.

4.8.

De hoofdvorderingen worden afgewezen. De nevenvorderingen van [eiser] hangen daarmee samen en worden daarom ook afgewezen.