Gepubliceerd op maandag 20 april 2026
IEF 23487
Rechtbank Midden-Nederland ||
25 nov 2025
Rechtbank Midden-Nederland 25 nov 2025, IEF 23487; ECLI:NL:RBMNE:2025:7836 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://delex.minab.nl/artikelen/voortgezet-gebruik-van-thuisin-merk-na-einde-franchise-levert-merkinbreuk-op

Voortgezet gebruik van Thuisin-merk na einde franchise levert merkinbreuk op

Rb. Midden-Nederland 25 november 2025, IEF 23487; ECLI:NL:RBMNE:2025:7836 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter oordeelt in kort geding dat [gedaagde] inbreuk maakt op het Benelux-merk van [eiser] door het Thuisin-merk na beëindiging van de franchiseverhouding te blijven gebruiken. Vaststaat dat [gedaagde] het merk van 1 december 2014 tot 1 april 2022 rechtsgeldig gebruikte op basis van een franchiseovereenkomst met Thuisin Franchise, een dochteronderneming van [eiser] die bevoegd was sublicenties te verlenen. Na beëindiging van die overeenkomst had [gedaagde] ieder gebruik van het merk moeten staken. Volgens de onweersproken stellingen van [eiser] bleef het merk echter nadien zichtbaar op verschillende plaatsen aan de voor- en zijkant van het pand van [gedaagde]. Ook nadat [gedaagde] na de dagvaarding delen van de aanduiding had verwijderd of overgeschilderd, stelde [eiser] dat het merk aan de voorkant nog zichtbaar was. Omdat tegen [gedaagde] verstek was verleend, worden deze stellingen tot uitgangspunt genomen voor zover zij niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat [gedaagde] het merk nog steeds gebruikte voor dezelfde waren of diensten als waarvoor het merk is ingeschreven, zodat sprake is van merkinbreuk als bedoeld in artikel 2.20 lid 2 onder a BVIE. De vordering tot staking en gestaakt houden van het gebruik van het Thuisin-merk wordt daarom toegewezen, met een termijn van 48 uur na betekening om daaraan te voldoen. De ruimere vordering om ook gebruik van een met het merk overeenstemmend teken te verbieden wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] zo’n teken gebruikt of dat dit in redelijkheid te verwachten is. Aan de hoofdveroordeling wordt een dwangsom verbonden van € 1.000 per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 100.000. Daarnaast bepaalt de rechtbank de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak op zes maanden overeenkomstig artikel 1019i Rv.

Het vonnis is daarnaast relevant voor de proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv. Omdat de zaak ziet op de handhaving van een intellectueel eigendomsrecht, past de voorzieningenrechter artikel 1019h Rv toe en sluit hij aan bij de Indicatietarieven in IE-zaken. Anders dan [eiser] had bepleit, kwalificeert de rechtbank deze zaak niet als een normaal, maar als een eenvoudig kort geding. De reden daarvoor is dat [gedaagde] op geen enkele wijze heeft betwist dat zij haar gebruiksrecht uitsluitend aan de franchiseovereenkomst ontleende, dat zij na beëindiging van die overeenkomst ieder gebruik van het merk had moeten staken, en dat zij dat niet tijdig en niet volledig heeft gedaan. Daarom worden de gevorderde advocaatkosten van € 15.055,78 niet volledig toegewezen, maar gematigd tot het maximumtarief van € 6.000 dat voor een eenvoudig kort geding geldt. Samen met € 122,35 aan dagvaardingskosten, € 714 aan griffierecht en € 178 aan nakosten begroot de rechtbank de proceskosten op € 7.014,35, te vermeerderen met € 92 en de kosten van betekening indien [gedaagde] niet tijdig aan het vonnis voldoet en betekening daarna nodig blijkt. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

[gedaagde] maakt (nog steeds) inbreuk op het Thuisin merk

3.3

Van 1 december 2014 tot 1 april 2022 maakte [gedaagde] rechtsgeldig gebruik van het Thuisin merk. [gedaagde] mocht het merk gebruiken op basis van een franchiseovereenkomst die zij had met Thuisin Franchise (de dochteronderneming van [eiser] die over een licentie beschikt om te mogen sublicentieren). Maar nadat op 1 april 2022 de franchiseovereenkomst was beëindigd had [gedaagde] het gebruik van het Thuisin merk moeten stoppen. Dit jaar bleek [eiser] dat [gedaagde] dat niet gedaan had. [eiser] heeft toen vaak gesommeerd om het gebruik te eindigen. [gedaagde] zei steeds toe daaraan te gaan voldoen, maar verzuimde vervolgens. Het Thuisin merk bleef zichtbaar op diverse plaatsen aan de voorkant en de zijkant van het pand.

3.4

Pas na het uitbrengen van de kort geding dagvaarding heeft [gedaagde] op 29 oktober 2025 het Thuisin merk van de zijkant en een deel van de voorzijde van haar pand verwijderd. [eiser] constateerde dat het Thuisin merk nog wel aan de voorkant (op drie doeken) zichtbaar was. [gedaagde] heeft dit toen op 31 oktober 2025 overgeschilderd, maar [eiser] heeft op de zitting gesteld dat het Thuisin merk door de verf heen komt en nog steeds zichtbaar is. Daarbij weet ze niet of de verf die [gedaagde] gebruikt heeft om over het merk heen te schilderen waterbestendig is. Volgens haar is daardoor nog steeds sprake van een merkinbreuk als bedoeld in artikel 2.20 lid 2 sub a en b BVIE.

3.5

Gelet op de onweersproken stellingen van [eiser] wordt ervan uit gegaan dat het Thuisin merk, ook na de beëindiging van de franchiseovereenkomst, nog steeds gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk van [eiser] is ingeschreven. Dit levert een merkinbreuk op als bedoeld in artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE en [gedaagde] moet het gebruik van het Thuisin merk dan ook staken.

Conclusie: [gedaagde] moet de inbreuk op het merkrecht stoppen

3.6

Vanwege de voortdurende inbreuk op het merkrecht van [eiser] zal de

vordering van [eiser] tot het staken en gestaakt houden van het gebruik van het Thuisin merk worden toegewezen. [gedaagde] zal een termijn worden gegund van 48 uur om hieraan te voldoen. De gevraagde voorziening om ook te stoppen met het gebruik van een met het Thuisin merk overeenstemmend teken wordt niet toegewezen. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] gebruik maakt van een overeenstemmend teken of dat dit in redelijkheid te verwachten is.