Gepubliceerd op woensdag 4 februari 2026
IEF 23261
Rechtbank Den Haag ||
28 jan 2026
Rechtbank Den Haag 28 jan 2026, IEF 23261; ECLI:NL:RBDHA:2026:1322 (Squeezely tegen Insite), https://delex.minab.nl/artikelen/octrooi-voor-webdataverwerking-blijft-geldig-geen-gebrek-aan-technisch-karakter-nieuwheid-of-inventiviteit

Octrooi voor webdataverwerking blijft geldig: geen gebrek aan technisch karakter, nieuwheid of inventiviteit

Rb. Den Haag 28 januari 2026, IEF 23261 ECLI:NL:RBDHA:2026:1322 (Squeezely tegen Insite). De rechtbank de vordering van Squeezely B.V. tot nietigverklaring van het Nederlandse deel van EP 2 997 500 B1 van Insite Innovations and Properties af. Het octrooi ziet op een systeem en methode voor het verwerken van web-browsinginformatie. Squeezely stelde dat het octrooi niet octrooieerbaar is omdat het geen technisch karakter zou hebben (art. 52 EOV) en bovendien niet nieuw en niet inventief zou zijn (art. 54 en 56 EOV). De rechtbank verwerpt dit betoog. Zij oordeelt dat het octrooi technische kenmerken bevat, zoals het gebruik van servers en dataverwerkingsstappen, en daarom niet kan worden aangemerkt als een computerprogramma “als zodanig”. Bij de uitleg van conclusie 1 benadrukt de rechtbank dat de auxiliary web server (AWS) en de back-end server (BES) weliswaar geen fysiek gescheiden servers hoeven te zijn, maar wel als afzonderlijke logische entiteiten moeten worden begrepen, waaraan specifieke functies en stappen zijn toegekend. Deze functies, met name het ontvangen en doorsturen van een door de webclient verzonden codeverzoek, behouden zelfstandige betekenis bij de geldigheidsbeoordeling.

Ook de nieuwheids- en inventiviteitsbezwaren slagen niet. Het beroep op een eerdere Amerikaanse publicatie (US 2004/0054784) wordt gepasseerd omdat dit pas laat in de procedure als nieuwheidsaanval is aangevoerd, in strijd met de goede procesorde. De gestelde openbare toepassing van OpenX/Revive Adserver vóór de prioriteitsdatum is onvoldoende onderbouwd: dat een bepaalde configuratie technisch mogelijk was, betekent nog niet dat deze ook daadwerkelijk openbaar is toegepast. Daarnaast openbaren de aangehaalde Amerikaanse octrooipublicaties US 2011/0191366 en US 2012/0072488 niet alle kenmerken van conclusie 1, met name niet het ongewijzigd doorsturen van een door de webclient verzonden codeverzoek van AWS naar BES. Het inventiviteitsverweer faalt eveneens, omdat dit door Squeezely niet concreet is uitgewerkt. De rechtbank concludeert daarom dat het octrooi nieuw en inventief is en wijst de nietigheidsvordering af. Squeezely wordt veroordeeld in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv.

Conclusie en proceskosten

4.47.

Uit het voorgaande volgt dat conclusie 1 van EP 500 nieuw en inventief moet worden geacht. Hiermee zijn ook de afhankelijke conclusies (2-10) nieuw en inventief, zodat de afzonderlijke nieuwheids- en inventiviteitsbezwaren van Squeezely daartegen niet verder hoeven te worden besproken. Tegen de (onafhankelijke en afhankelijke) werkwijzeconclusies (11-14) heeft Squeezely dezelfde argumenten aangevoerd als tegen de voorgaande conclusies. Deze conclusies moeten dan ook eveneens geldig worden geacht. Om deze reden wordt aan de hulpverzoeken niet toegekomen.

4.48.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering van Squeezely om het octrooi nietig te verklaren niet kan slagen. Squeezely zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de redelijke en evenredige proceskosten aan de zijde van Insite. Deze zijn te begroten conform artikel 1019h Rv omdat de vordering van Squeezely strekkende tot vernietiging van het octrooi is te beschouwen, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, als een vooruitgeschoven inbreukverweer.

4.49.

Insite heeft deze kosten begroot op € 81.613,50 aan advocaatkosten en
€ 3.051,00 aan verschotten (inclusief het griffierecht ad € 676,00). Deze kosten zijn te begroten conform artikel 1019h Rv omdat de vordering van Squeezely strekkende tot vernietiging van het octrooi is te beschouwen, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, als een vooruitgeschoven inbreukverweer. Ter zitting heeft Insite haar proceskostenvordering beperkt tot € 75.000, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.50.

Squeezely heeft bezwaar gemaakt tegen de € 5.100,00 aan kosten die door Insite zijn opgevoerd met betrekking tot de geweigerde “antwoordakte hulpverzoeken”’. In het licht van de voornoemde beperking van de proceskostenvordering door Insite, behoeft dit bezwaar geen bespreking.

4.51.

Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in octrooizaken rechtbank Den Haag (versie 1 september 2020). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Onderhavige zaak valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie normaal met een maximumtarief van € 75.000,00. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de verschotten ad € 3.051,00 en de nakosten van € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).