Gepubliceerd op woensdag 8 april 2026
IEF 23450
Rechtbank Amsterdam ||
7 apr 2026
Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026, IEF 23450; ECLI:NL:RBAMS:2026:2822 (Copar tegen CSB), https://delex.minab.nl/artikelen/kort-geding-over-gestelde-schendingen-van-een-exclusieve-merkrechtlicentie

Kort geding over gestelde schendingen van een exclusieve merkrechtlicentie

Rb. Amsterdam 18 maart 2026, IEF 23450; ECLI:NL:RBAMS:2026:2822 (Copar tegen CSB). In dit kort geding tussen Copar en Continental Sweets Belgium (CSB) staat de vraag centraal of CSB in strijd heeft gehandeld met een in 2012 gesloten exclusieve, eeuwigdurende en royaltyvrije licentieovereenkomst op grond waarvan Copar de betrokken woord- en vormmerken in Nederland mag gebruiken voor de productie en distributie van snoepgoed. De rechtbank Amsterdam acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze in de overeenkomst (art. 25 Brussel I-bis) en past, conform de rechtskeuze van partijen, Nederlands recht toe. Daarbij speelt mee dat in een eerder bodemvonnis van 12 juni 2024 reeds voor recht was verklaard dat de opzegging van de licentieovereenkomst door CSB van 22 juni 2023 geen effect had en dat Copar de relevante Benelux-merken in Nederland mocht blijven gebruiken; tegen dat vonnis liep nog hoger beroep. De vorderingen van Copar in conventie worden afgewezen, omdat in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat CSB door rechtstreekse verkoop aan in Nederland gevestigde afnemers de exclusieve licentie heeft geschonden. Dat de producten bij Jumbo in Nederland en via Bol.com worden aangeboden, dat CSB als fabrikant wordt genoemd, of dat de producten van Belgische oorsprong zijn, volstaat daarvoor niet, omdat de producten ook via buiten Nederland gevestigde tussenpartijen in Nederland terecht kunnen zijn gekomen. Ook de correspondentie over Jumbo acht de voorzieningenrechter onvoldoende, nu CSB gemotiveerd heeft toegelicht dat zij aan Jumbo België B.V. verkoopt en aan een distributiecentrum in Nederland levert ten behoeve van Belgische winkels. Omdat een contractuele tekortkoming niet voldoende aannemelijk is, wordt ook de gevorderde administratieve inzage via een registeraccountant afgewezen; de verwijzing naar de Handhavingsrichtlijn en het BVIE kan Copar daarbij niet baten. De proceskosten in conventie worden niet begroot op grond van art. 1019h Rv, omdat het geschil overwegend verbintenisrechtelijk van aard is, maar volgens het reguliere liquidatietarief.

Ook de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van CSB worden afgewezen. CSB had de licentieovereenkomst op 23 januari 2026 opnieuw ontbonden, omdat Copar volgens haar draculatanden aan A.S. Watson zou verkopen in de wetenschap dat daarmee uitsluitend de Belgische markt van Kruidvat werd bevoorraad, en daarnaast omdat Copar CSB niet overeenkomstig art. 3.1 van de licentieovereenkomst zou hebben geïnformeerd over mogelijke inbreuken door derden. De voorzieningenrechter oordeelt dat in dit kort geding onvoldoende is onderbouwd dat Copar wist dat de via A.S. Watson geleverde producten uitsluitend voor de Belgische markt bestemd waren, zodat reeds daarom geen toereikende grond voor ontbinding aannemelijk is. Ook het beroep op schending van art. 3.1 faalt, omdat CSB niet heeft onderbouwd dat sprake is van een structurele en stelselmatige tekortkoming, noch heeft toegelicht uit welke mededelingen van Copar zou volgen dat zij blijvend in de nakoming zal tekortschieten. Daar komt bij dat het belang van CSB bij een voorlopige voorziening onvoldoende is, nu al in hoger beroep wordt geprocedeerd over de beëindiging van de licentieovereenkomst. De voorzieningenrechter weigert daarom zowel in conventie als in reconventie de gevraagde voorzieningen. Copar wordt in conventie veroordeeld in de proceskosten van € 2.101, en CSB in reconventie in de proceskosten van € 777,50, telkens vermeerderd met nakosten en, onder voorwaarden, wettelijke rente.

5.1.

CSB heeft een eis in reconventie ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie worden afgewezen. Die voorwaarde is vervuld zodat de vordering in reconventie moet worden beoordeeld. De vorderingen gaan ervan uit dat de licentieovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden door CSB. Dat is onvoldoende aannemelijk zodat de vorderingen worden afgewezen. Dat wordt als volgt toegelicht.

5.2.

CSB heeft de licentieovereenkomst ontbonden omdat Copar volgens haar draculatanden verkoopt aan A.S. Watson, de inkooporganisatie van Kruidvat, in de wetenschap dat Kruidvat hiermee uitsluitend de Belgische markt bevoorraadt. Of dat laatste zo is, is door CSB in dit kort geding onvoldoende onderbouwd en door Copar betwist. Alleen om die reden al kan niet worden aangenomen dat dit een grond oplevert voor ontbinding.

5.3.

Ook stelt CSB de licentieovereenkomst te hebben ontbonden omdat Copar artikel 3.1 van de licentieovereenkomst niet in acht heeft genomen nu zij CSB niet heeft geïnformeerd over de mogelijke inbreuk op de merken door derden en CSB daar pas bij dagvaarding achter kwam. Volgens CSB is Copar van rechtswege in verzuim omdat zij deze verplichting structureel en stelselmatig niet naleeft en omdat uit de mededelingen in de dagvaarding moet worden afgeleid dat Copar in de nakoming van deze verplichting tekort zal blijven schieten. Dat sprake is van een structurele, stelselmatige niet-naleving is niet onderbouwd. Daarnaast heeft CSB niet toegelicht uit welke mededelingen van Copar zou moeten worden afgeleid dat zij zal blijven tekortschieten. Ook op grond van artikel 3.1 van de licentieovereenkomst kan daarom niet worden geconcludeerd dat er een grond is voor ontbinding.

5.4.

Tot slot is het belang van CSB – nu al in hoger beroep wordt geprocedeerd over een beëindiging van de licentieovereenkomst – op dit moment onvoldoende voor toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.

5.5.

CSB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie. Vanwege de samenhang met de vorderingen in conventie zullen de proceskosten worden begroot op 0,5 x € 1.177 (salaris advocaat) plus € 189 (nakosten) en de verhoging zoals vermeld in de beslissing.