Gepubliceerd op donderdag 30 april 2026
IEF 23521
HvJ EU ||
30 apr 2026
HvJ EU 30 apr 2026, IEF 23521; ECLI:EU:C:2026:355 (GEMA tegen VHC 2 Senior Residence and Nursing Home), https://delex.minab.nl/artikelen/hvjeu-doorgifte-radioprogramma-s-via-intern-kabelnetwerk-verzorgingstehuis-geen-mededeling-aan-het-publiek-ex-art-3-lid-1-richtlijn-2001-29

HvJEU: doorgifte radioprogramma's via intern kabelnetwerk verzorgingstehuis geen 'mededeling aan het publiek' ex art. 3 lid 1 Richtlijn 2001/29

HvJ EU 30 april 2026, IEF 23521; IEFbe 4212; ECLI:EU:C:2026:355 (GEMA tegen VHC 2 Senior Residence and Nursing Home). Dit arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Eerste Kamer, 30 april 2026, C-127/24) betreft een prejudiciële verwijzing van het Bundesgerichtshof (Duitsland) in een geschil tussen GEMA en VHC 2, exploitant van een verzorgingstehuis met 89 permanent wonende bewoners. VHC 2 ontvangt via een eigen satellietantenne radio- en televisieprogramma's en zendt deze tijdgelijktijdig, ongewijzigd en volledig door via een intern kabelnetwerk naar aansluitingen in de individuele bewonerskamers. GEMA stelde dat hiervoor een licentie vereist was en vorderde staking. Na wisselende uitkomsten in feitelijke instanties stelde het Bundesgerichtshof drie prejudiciële vragen: (1) of de bewoners een "onbepaald aantal potentiële adressaten" vormen, (2) of het criterium van het "specifieke technische procedé" nog algemene gelding heeft dan wel beperkt is tot doorgiften via het open internet, en (3) of sprake is van een "nieuw publiek," waarbij ook aan de orde werd gesteld of relevant is dat bewoners de programma's zelfstandig via een antenne hadden kunnen ontvangen en of rechthebbenden reeds een vergoeding hebben ontvangen voor de oorspronkelijke uitzending.

Het HvJEU stelt voorop dat het begrip "mededeling aan het publiek" in de zin van art. 3 lid 1 Richtlijn 2001/29 ruim moet worden uitgelegd en twee cumulatieve voorwaarden omvat, een handeling van mededeling én een publieke mededeling, te beoordelen aan de hand van een reeks niet-zelfstandige en onderling verweven criteria. Het Hof beantwoordt de tweede en derde vraag gezamenlijk en oordeelt dat de doorgifte geen "mededeling aan het publiek" vormt, zodat de eerste vraag geen beantwoording behoeft. Ten aanzien van het specifieke technische procedé bevestigt het Hof de lijn uit ITV Broadcasting (C-607/11): dit criterium, gegrond op art. 3 lid 3 Richtlijn 2001/29, dat bepaalt dat het auteursrecht zich niet uitput bij een eerste mededeling, is slechts relevant bij een van de oorspronkelijke uitzending onafhankelijke hernieuwde doorgifte via een wezenlijk ander technisch procédé, zoals doorgifte van een terrestrisch televisiesignaal via het open internet. De onderhavige doorgifte van een satellietsignaal via een intern kabelnetwerk binnen hetzelfde gebouw valt niet onder dit criterium maar onder de toets van het nieuwe publiek, overeenkomstig de lijn uit SGAE (C-306/05) voor hotelkamers. Ten aanzien van het nieuwe publiek oordeelt het Hof dat permanent wonende bewoners van een verzorgingstehuis, anders dan hotelgasten, restaurantbezoekers of patiënten van revalidatiecentra (Reha Training, C-117/15), maar in lijn met het arrest GEMA/Citadines (C-135/23, 20 juni 2024) over permanente woningverhuur, géén nieuw publiek vormen: zij ontvangen de uitzendingen in hun eigen permanente woonruimte als houders van ontvangstapparatuur in de privésfeer, en behoren daarmee tot het publiek dat de rechthebbenden reeds voor ogen hadden bij het verlenen van toestemming voor de oorspronkelijke uitzending. Het winstoogmerk van de exploitant en de door hem verleende zorgdiensten zijn niet doorslaggevend. De overige door het Bundesgerichtshof opgeworpen omstandigheden, zelfstandige ontvangstmogelijkheid via antenne en reeds ontvangen vergoeding voor de oorspronkelijke uitzending, behoeven geen zelfstandige bespreking. Een andersluidende uitleg zou bovendien neerkomen op het verschaffen van een niet verschuldigde vergoeding, terwijl Richtlijn 2001/29 ingevolge overweging 10 slechts een billijke vergoeding voor het gebruik van werken beoogt te waarborgen.

26       Volgens de vaste rechtspraak omvatten deze criteria de eis dat een beschermd werk, om als ‘openbaarmaking’ te worden aangemerkt, aan een nieuw publiek moet worden bekendgemaakt, met name door middel van een specifiek technisch proces dat verschilt van het eerder gebruikte proces, of anderszins aan een nieuw publiek, dat wil zeggen een publiek dat de auteursrechthebbende niet in overweging had genomen toen hij de oorspronkelijke openbaarmaking toestond (arresten van 8 september 2016, GS Media, C‑160/15, EU:C:2016:644, punt 37, en van 20 juni 2024, GEMA, C‑135/23, EU:C:2024:526, punt 43).

31       Uit de jurisprudentie van het Hof, met name uit het arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting en anderen (C‑607/11, EU:C:2013:147), volgt dat een dergelijke procedure slechts als een ‘specifiek technisch proces’ in de zin van de in punt 26 van dit arrest aangehaalde jurisprudentie kan worden beschouwd indien het gebruik van een specifiek technisch proces een heruitzending of herdistributie van uitzendingen met zich meebrengt die onafhankelijk is van de oorspronkelijke reproductie.

32       Zoals ook blijkt uit de jurisprudentie van het Hof, is dit met name het geval wanneer een uitzending van een terrestrische televisie via internet wordt doorgegeven (zie in die zin de arresten van 7 maart 2013, ITV Broadcasting en anderen, C‑607/11, EU:C:2013:147, punt 26, en van 29 november 2017, VCAST, C‑265/16, EU:C:2017:913, punten 14, 46 en 48). Daarentegen heeft het Hof geoordeeld dat een situatie zoals die in het arrest van 7 december 2006, SGAE (C‑306/05, EU:C:2006:764), namelijk de overdracht van een signaal aan gasten door middel van televisietoestellen in hotelkamers, niet onder deze bepaling valt, maar onder het eerste alternatief genoemd in punt 30 van dit arrest (zie in die zin het arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting en anderen, C‑607/11, EU:C:2013:147, punten 37 en 38).

33       Zoals de advocaat-generaal in punt 20 van zijn conclusie heeft gesteld, komt de laatstgenoemde feitenreeks overeen met die van de hoofdprocedure, aangezien, zoals blijkt uit het verzoek om een ​​prejudiciële beslissing, de exploitant van een verzorgingstehuis, net als de exploitant van een hotel, het signaal dat hij van zijn satellietschotel ontvangt, via het in zijn inrichting geïnstalleerde kabelnetwerk naar de verschillende delen van zijn inrichting doorgeeft.

34       Hieruit volgt dat in het geval van een doorzending zoals die in de hoofdprocedure aan de orde is, niet kan worden aangenomen dat deze plaatsvindt overeenkomstig een ‘specifieke technische procedure’ in de zin van de in punt 26 van dit arrest aangehaalde jurisprudentie.

39       Daarentegen heeft het Hof geoordeeld dat, indien de appartementen aan huurders als woonruimte worden verhuurd, zij niet kunnen worden beschouwd als een ‘nieuw openbaar gebied’ in de zin van de in punt 26 van dit arrest aangehaalde jurisprudentie (zie in die zin arrest van 20 juni 2024, GEMA (C‑135/23, EU:C:2024:526, punt 45).

40       Deze situatie is vergelijkbaar met die in de hoofdprocedure, waarin, zoals blijkt uit het verzoek om een ​​prejudiciële beslissing, de bewoners van een verzorgingstehuis permanent verblijven. Er moet daarom van worden uitgegaan dat deze bewoners geen ‘nieuw publiek’ vormen.

41       Deze conclusie wordt niet in twijfel getrokken door het argument dat, in tegenstelling tot de eigenaar van een appartement dat hij verhuurt, de exploitant van een verzorgingstehuis een scala aan diensten verleent aan de bewoners, die minder zelfstandig zijn. Zoals de advocaat-generaal in de paragrafen 37 tot en met 39 van zijn conclusie in wezen heeft gesteld, behoren in beide gevallen de ontvangers van de betreffende heruitzending, als eigenaren van ontvangstapparatuur die deze uitzendingen in een privéomgeving ontvangen, tot het publiek dat door de auteursrechthouders wordt aangesproken door toestemming te verlenen voor de oorspronkelijke openbare communicatie van hun werken in de vorm van een uitzending.

42       Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat de exploitant van een verzorgingstehuis geen ‘openbare mededeling’ verricht in de zin van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2001/29 door televisie- en radio-uitzendingen die via een satellietschotel worden ontvangen, via een kabelnetwerk naar de kamers van dat verzorgingstehuis te verzenden.